Volkskrant Banen, maart 2008 - Op bezoek bij het Technology Lab van Accenture in het zuiden van Frankrijk, waar onderzoekers technische snufjes ontwikkelen die, zo hopen ze, klanten ooit kunnen gebruiken. tekst Jan Kooistra Een mobieltje dat je waarschuwt als in je eten pinda's zijn verwerkt. Of een camera die de manager van een supermarkt waarschuwt als een pak cornflakes niet op de juist plaats in zijn winkel staat. In vier 'Technology Labs' laat het Amerikaanse Accenture, met 175 duizend medewerkers in 49 landen één van de grootste consultancybedrijven ter wereld, onderzoekers experimenteren met nieuwe technieken. Accenture heeft twee 'labs' in Amerika, in Chicago en Silicon Valley en een derde in Bangalore, de it-hoofdstad van India. Het Europese lab heeft uitzicht op de Middellandse Zee, het staat in Sophia Antipolis, in de heuvels ten noorden van Antibes en Cannes in Zuid-Frankrijk. Robin Groenevelt, een 32-jarige Nederlander die sinds een paar jaar in het Zuid-Franse Accenture-lab werkt, laat zijn minisupermarkt zien: aan een blinde muur hangt een aantal planken waarop dozen cornflakes en andere winkelproducten staan. 'Een tijdje geleden hadden we hier een robot rondlopen die we driedimensionale kaarten lieten maken', vertelt hij. Twee collega's moeten even plaatsmaken, want zo groot is het kantoortje annex laboratorium nu ook weer niet. 'We gebruiken het ook als meetingroom', zegt hij lachend. Groenevelt, die bedrijfswiskunde en informatica én wiskunde studeerde in Amsterdam, houdt zich momenteel bezig met beeldherkenning. Hij probeert met collega's een systeem te maken dat met camera's de schappen in een supermarkt in de gaten houdt en waarschuwt als iets niet in orde is. Is een product op, staat iets op de verkeerde plek of staat een fles frisdrank niet netjes op de plank, dan slaat het systeem alarm. Het lijkt simpel: de beelden van de camera's worden continu vergeleken met foto's van de schappen zoals ze er uit zouden moeten zien. Lastig is een computer het verschil te laten opmerken tussen het ene pak koekjes en het andere. Al jaren gebruiken winkeliers computers om hun inventaris in de gaten te houden. Steeds vaker krijgen producten in winkels kleine chips, of rfid-tags, zodat een computer kan tellen hoeveel er binnen komen en hoeveel de deur uitgaan. Dan weet de winkelier wanneer op een mooie zomerdag de cola op begint te raken. 'Een voordeel van ons systeem is dat het ook in de gaten kan houden of in een winkel reclameartikelen wel op de juiste plek staan', legt Agata Opalach (39), een Poolse collega van Groenevelt uit. Filiaalhouders volgen niet altijd netjes de opdrachten van winkelketens op. Dat kost omzet. Stel dat Albert Heijn het systeem zou gebruiken, dan krijgt het hoofdkantoor een signaal als een winkel in Purmerend het rek met paaseitjes niet bij de kassa heeft staan. Nu rijden controleurs vaak bij de filialen langs. De camera's zijn nog nergens in gebruik. Voor wat in 'de Labs' van Accenture wordt ontwikkeld, is niet altijd een klant te vinden. 'Ik los problemen op, maar ik probeer ook problemen te vinden die op te lossen zijn', legt Groenevelt zijn werk uit. Daarbij krijgt hij veel ruimte. Een klant kan een probleem aandragen, maar dat hoeft niet. Soms bedenken ze zelf iets dat ze willen ontwikkelen. 'De Labs werken een jaar of vier, vijf vooruit', vertelt Michael Widjaja (37). Er wordt gewerkt aan technieken waar bedrijven pas na een aantal jaren aan toe zijn. Widjaja werkte een jaar of tien geleden als consultant vanuit het Europese lab van Accenture en is inmiddels Senior Executive bij Accenture Nederland, verantwoordelijk voor Technology Architecture: hij adviseert bedrijven hoe ze ict kunnen inzetten om beter te presteren. Hij heeft voorbeelden van in het lab ontwikkelde technieken waarvoor geen klanten te vinden waren. 'Halverwege de jaren negentig was in het lab een prototype gemaakt van een winkel op internet. Je kon een transactie doen op internet.' Het was te vroeg. Internet stond nog in de kinderschoenen en klanten waren er nog niet klaar voor. 'En ik kan me een prototype herinneren van een camera waarmee je mensen in een winkel kunt volgen. Dan zie je dat die persoon heel geïnteresseerd is in dat product. Dan kun je bepaalde reclame laten zien. De it is prachtig, het bedrijf vindt het prachtig, de kosten zijn prachtig. Maar mensen willen niet zo bekeken worden als ze aan het winkelen zijn.' De Zweed Fredrik Linaker werkt in het lab in Sophia Antipolis aan wat hij een 'pocket supercomputer' noemt. 'Wat als je iets ziet en je daar iets over wilt weten? Een restaurant, een schilderij, een gebouw of een product in een supermarkt?' Hij laat een gewoon mobieltje zien en richt de camera op een boek. Hij drukt op een knop, en even later verschijnt op het beeldschermpje van de telefoon de prijs van dat boek op de Amerikaanse webwinkel Amazon. Daarna houdt hij een zakje met Japanse tekens erop voor de camera. Het blijkt soep te zijn. De telefoon waarschuwt: er zitten pinda's in. Dat kun je zo instellen, handig als je allergisch bent. Een deel van de techniek is er al een paar jaar. 'Met veel telefoontjes kun je videobellen. Dat wordt niet veel gebruikt, en is vrij goedkoop', legt Linaker uit. 'Je maakt een videocall naar een computer en die stuurt informatie terug.' Om bijvoorbeeld een schilderij in een museum te kunnen herkennen moet de telefoon het kunnen vergelijken met afbeeldingen van alle schilderijen van het museum in een grote database. 'Die past niet in een telefoon', zegt Linaker. Daarvoor is de computerkracht van de telefoon simpelweg te klein. 'Het was een idee van Fredrik om de hersens te scheiden van het lichaam', vertelt de Engelsman Martin Illsley, de baas van het laboratorium. Een klant heeft al bedacht waarvoor hij het zou kunnen gebruiken, vertelt Linaker. Met een telefoontje in de hand kunnen nieuwe medewerkers verschillende soorten gereedschap herkennen. Het maakt het inwerken van nieuwe collega's een stuk makkelijker. U kunt het artikel ook lezen op de website van Volkskrant Banen. Naar de top |